Elke ochtend zit ik boven op mijn kamer en kijk ik naar buiten. Ik zie ze gaan. Een voor een vertrekken de buren, netjes gekleed, koffietje en werktas in de hand, op weg naar hun werkdag. En elke ochtend is er die kans dat het gebeurt: een krachtige, plotselinge steek van binnen. Het is het rauwe verdriet en de rouw om wat er niet meer is. Mijn werk, mijn structuur, mijn oude leven.
Momenteel komt alles harder binnen. De emmer zit simpelweg te vol. De vermoeidheid van de afgelopen dagen zit diep in mijn lijf, de oedeem in mijn benen en enkels is pijnlijk en mijn energie is meer dan laag. Ondertussen draait de bureaucratische molen rondom mijn uitval genadeloos door. De Vaststellingsovereenkomst (VSO) is verstuurd door mijn werkgever, de vakbond vraagt van alles en nog wat (blij dat ze helpen hoor), en op de agenda staat een ingrijpende gesprek met de verzuimcoach en een medewerker van de afdeling Eigenrisicodrager. De stress zit hoog. Gisteren viel het kwartje eindelijk: mijn zenuwstelsel staat wederom of nog steeds in standje overleving.
De ontploffing en de tranen
Als je zenuwstelsel in de overlevingsstand staat, vecht je tegen alles en nog wat. Er is geen ruimte meer voor nuance, geen buffer voor tegenslag. En vanochtend knalde het eruit. Mijn man maakte in mijn ogen één verkeerde opmerking en hij kreeg de volle laag. Toen ik daarna naar boven vluchtte, naar mijn eigen kamer, kwamen de tranen. En precies op dat moment zag ik de eerste buurvrouw vertrekken. De tranen stroomden over mijn wangen. Op zulke momenten spoken de vragen door mijn hoofd: Gaat dit ooit wennen? Gaat dit slijten? Wordt de pijn, het verdriet en het gemis ooit minder? Krijg ik ooit weer rust in mijn lijf? En echt ik probeer zo hard te kijken naar wat er nog wel is en wat ik nog wel kan. Maar soms, heel soms, heel even, wint de pijn het van al het mooie om me heen. En ik heb geleerd dat dat meer dan oké is.
Rouw om wat was
Wat veel mensen niet begrijpen — en wat je jezelf soms ook niet gunt — is dat uitval op je werk een wezenlijk rouwproces is. Je neemt niet alleen afscheid van een baan of een inkomen; je neemt afscheid van een stuk identiteit, van je rol in de maatschappij, van je dagelijkse ritme. Het zien van de buren die naar hun werk gaan, is een dagelijkse spiegel van dat verlies. Tel daar de administratieve druk van een VSO- en verzuimtraject bij op, en je vraagt van een uitgeput lichaam om een marathon te lopen met lood in de schoenen. Je lichaam praat hard terug door middel van pijn en vermoeidheid. Het zegt: Stop. Het is te veel. En ik? Ik ren maar door en door want ik wil kostte wat kost die eindstreep halen!
Gaat het ooit slijten?
Het korte antwoord is: ja. Dit gaat slijten. Het went misschien nooit dat je het 'leuk' gaat vinden, maar de scherpe, snijdende randen gaan er absoluut vanaf. Rouw is in het begin een enorme, onvoorspelbare vloedgolf die je onverwacht onder uittrekt en waarin je als het ware verdrinkt. Maar na verloop van tijd worden de golven minder hoog. Er zit meer tijd tussen de stormen. Je leert niet om de golven tegen te houden, maar je leert wel hoe je erin moet zwemmen. Poeh wat kijk ik uit naar dat moment!
Ruimte voor de brokstukken
Als je in de overlevingsstand staat, hoef je even niet 'om te denken'. Je hoeft niet geforceerd positief te zijn of dankbaar te zoeken naar het mooie. Soms is een dag gewoon even heel erg zwaar, en dat mag er zijn. Tranen zijn immers niets anders dan het vloeibare bewijs dat je zenuwstelsel de spanning aan het ontladen is. Als de storm in je hoofd iets is gaan liggen, is een korte “het lag niet aan jou, mijn emmer liep over” genoeg voor de mensen om je heen. Zij houden van je, ook als je even de wind van voren geeft.
Voor nu is het een kwestie van de benen omhoog, de bureaucratie per gesprek afvinken, en accepteren dat de emmer leeg moet voordat er weer iets nieuws in past. Het wordt echt wel weer rustig in je lijf. Geef jezelf de tijd om te breken, want alleen vanuit de brokstukken kun je straks, heel langzaam en op jouw tempo, weer gaan bouwen.
Reactie plaatsen
Reacties